Nieuws

Slimme wijkaanpak: “Opeens kan die zonneweide wél”

02 oktober 2018

Op 22 september vond in Het Huis in Utrecht de derde Stroomversnelling Samenwerkdag van 2018 plaats. Tijdens deze middag was er veel aandacht voor het thema ‘Wijken met nieuwe Energie’. Liesbeth Schipper (Royal Haskoning) vertelde in de sessie ‘Smart Energy Cities’ over een succesvolle methode om wijken integraal in kaart te brengen. En Ivo Opstelten (directeur Stroomversnelling) introduceerde de Total Cost of Ownership (TCO) van een wijk als basis voor een model dat de economische prestatie bij wijkaanpak kan optimaliseren. Een kort verslag van deze twee sessies.

Deelsessie Smart Energy Cities
Het programma Smart Energy Cities heeft een bijzondere methode ontwikkeld om de energietransitie in wijken te versnellen. Kenmerkend is de integrale aanpak, waarbij de (groene) sociaal-maatschappelijke en de (blauwe) technisch-economische kant tegelijkertijd vorm krijgen. Liesbeth Schipper introduceert het programma in een deelsessie. De vraag aan de toehoorders is om na te gaan of het model ook geschikt is als kennisdrager in het Stroomversnelling programma ‘Wijken met nieuwe energie’.

“Twee jaar geleden waren er nog geen aardgasvrije wijken”, memoreert Schipper. Omdat er toen minder urgentie werd gevoeld, was het proces soms wat taaier dan nu het geval is. “We gingen meteen real time aan de slag in verschillende wijken met interventies, gesprekken enzovoort. Stakeholders moesten ook nieuwe dingen gaan doen én tegelijkertijd samenwerken. Dat is lastig.” De geleerde lessen uit de tientallen pilots zijn verwerkt in de website. “Alle pilots zijn besproken en getoetst en gekoppeld aan het procesmodel. De projecten zijn in verhalen beschreven.”

Een uniek onderdeel van de Smart Energy Cities aanpak is het koppelen van techneuten en creatievelingen (van click.nl). Door deze koppels samen de wijk in te sturen worden ook de sociaal-maatschappelijke aspecten van de wijk goed in kaart gebracht. Dat is essentieel voor de communicatie met de bewoners. Daarnaast worden er 6 bewoner-typen onderscheiden, onder andere op basis van energieverbruik, wat ook vrij uniek is. Volgens Schipper is een belangrijke conclusie dat het tegelijk bewandelen van de ‘blauwe’ en de ‘groene’ route gewoon heel goed werkt; “opeens kan die zonneweide wél”.

“De huidige website is open source, met als gevolg dat ook slimme bewoners hier en daar gemeenten met deze kennis om de oren slaan”, meldt Schipper trots. De vraag is wel wie de website in de toekomst gaat beheren, want “de stuurgroep wil er vanaf”.

Reacties uit de zaal
“Dit is eigenlijk een gezond verstand-methode, een proces waarin je de tijd neemt om vertrouwen op te bouwen of te herstellen. Er is altijd een categorie mensen die geen vertrouwen hebben in een project. Je begint met de emoties te peilen”, zo vat een van de deelnemers het samen. “Een heel mooi model, het zou doodzonde zijn als het zou stoppen”, meent een andere deelnemer.

“De goede voorbeelden komen vaak uit grotere gemeenten. Kleine en middelgrote gemeenten zijn wat vaker onbewust onbekwaam. Door deze aanpak te combineren met bijvoorbeeld peer reviews, NOM Keur en gedragscodes kun je op dat punt stappen maken”, schat een van de deelnemers in. Liesbeth Schipper beaamt dit en voegt toe dat gemeenten dergelijke projecten meestal initiëren. “Corporaties zetten ook wel een eerste stap. Met name de gemeente Hilversum heeft dit proces heel mooi gedaan.”

Liesbeth Schipper hoopt dat het beheer van Smart Energy Cities wordt ondergebracht in het nationale programma Aardgasvrije Wijken. Een Stroomversnelling-initiatief dat hier goed op aansluit is de ontwikkeltafel Omgevingsinteractie.

Download de presentatie van Liesbeth Schipper

Deelsessie ‘Samen de TCO bepalen in de wijk’
De aardgasvrije wijk staat voor de deur. Dat maakt het kiezen van het juiste energiesysteem per wijk tot een urgent vraagstuk. De economische implicaties zijn complex, mede doordat kosten en baten per stakeholder per wijk behoorlijk uiteen kunnen lopen. Een eerlijke verdeling van de lasten en de lusten én de keuze voor het systeem dat overall de beste economische prestatie heeft, vraagt om een bepaling van de Total Cost of Ownership in de wijk. Tijdens de samenwerkmiddag wordt in een deelsessie een eerste aanzet geven om tot een bepalingsmethodiek te komen.

Naar aanleiding van de vraag ‘waarom zou er een TCO van de wijk moeten zijn?’ dragen de deelnemers de volgende punten aan:

  • Op politiek niveau wordt vastgelegd dat de wijk het niveau is waarop de keuze wordt gemaakt voor de energievoorziening van de toekomst.
  • Een collectieve TCO kan verbindend werken tussen stakeholders in de wijk.
  • Het helpt te objectiveren en transparantie in het proces te krijgen.
  • Het helpt inzichtelijk te maken wat de onbalans is tussen stakeholders als het gaat om kosten en opbrengsten, en kan helpen om deze onbalans op te heffen.
  • Het helpt om ongewenste uitgaven te voorkomen, bijvoorbeeld als het gaat om netverzwaring.

Ivo Opstelten doet een voorstel voor een afbakening van de TCO van de wijk: “een TCO van de wijk is doen alsof een wijk een entiteit is die zelf de portemonnee kan trekken en dus kosten maakt en opbrengsten heeft.” Vervolgens wordt besproken dat je een aantal dingen aan de voorkant moet afbakenen om een TCO van de wijk te kunnen maken:

  • Er moet een lijn om een gebied getrokken worden.
  • Vastleggen hoe de governance geregeld wordt. Welke keuzes worden gemaakt bij het opstellen van de TCO?
  • De termijn waarover de TCO gaat moet vastgesteld worden.
  • Wat zijn de functionele prestaties waar de wijk uiteindelijk aan moet voldoen? Welke thema’s horen er, naast energie, allemaal bij?
  • Er moet overeenstemming zijn over parameters en kengetallen, zoals energieprijsontwikkelingen, aanschafkosten, vervangingskosten.

Vervolgens wordt besproken op welke thema’s volgens de deelnemers functionele prestaties gesteld moeten worden om een goede TCO te kunnen maken. De volgende thema’s worden genoemd: energieprestatie, circulariteit, veiligheid (van energievoorziening), woonlasten, klimaatadaptatie (hemelwater en hittestress), stabiliteit van de voorzieningen (i.e. energie), functionaliteit van gebouwen voor mengvorm van gebruikers, overlast bij verbouwen, privacy, en mogelijk esthetiek. Het is wel de vraag of je voor alle thema’s de kosten en opbrengsten goed in beeld kunt krijgen. Daarnaast worden de stakeholders benoemd: gebouweigenaren, gebruikers, netbeheerder, gemeente, waterschap, mogelijk de provincie, energiebedrijf, grondeigenaar en eventueel (rol-afhankelijk) de bouwer en financier.

De sessie wordt afgerond met de vraag hoe de deelnemers nu aankijken tegen het ontwikkelen van een model voor het bepalen van de TCO op wijkniveau. Gaat dat helpen bij processen in de wijk? Er wordt instemmend geknikt: dit is belangrijk en kan goed gebruikt worden. Er zijn ook verschillende deelnemers die mee willen werken aan de verdere ontwikkeling. Wordt vervolgd.